KFOR-1, Kosovo, 1999

Onderstaande tekst is een ingekorte versie van een artikelenserie, die in 2000 verscheen in Carré, het maandblad van de Nederlandse Officieren Vereniging. Auteur van de oorspronkelijke artikelenserie is P.G.F Hoefsloot, in 1999 kapitein en commandant van de 1e Batterij van de 11e Afdeling Rijdende Artillerie tijdens de uitzending van de Gele Rijders naar Kosovo; per juli 2010 commandant van het Korps Rijdende Artillerie. De artikelenserie geeft een beeld van de ruim zeven maanden durende uitzending van de 11e Afdeling Rijdende Artillerie als onderdeel van de eerste rotatie van de NAVO-vredesmacht Kosovo Force (KFOR-1). 


Aangewezen voor Kosovo

Duitsland had de 12 Panzerbrigade aan de NAVO aangeboden voor een mogelijke troepenmacht in Kosovo. Deze brigade had echter geen eigen vuursteunmiddelen, waarop Nederland een afdeling artillerie aanbood. Dit werden de Gele Rijders. Op 22 februari 1999 werd de formele opdracht gegeven om de afdeling op 2 april gereed te hebben voor uitzending. De afdeling zou uiteindelijk twee taken krijgen: een vuursteuntaak en een taak als gebiedsverantwoordelijke eenheid. U begrijpt dat er netto weinig tijd over bleef om het personeel fatsoenlijk op zijn taken (zijnde de niet-artillerietaken) voor te bereiden. 

Ik werd gevraagd om met een voordetachement bestaande uit de batterijstaf, het Alpha Peloton en een logistieke slice, naar Macedonië te vertrekken en daarmee de 12 Panzerbrigade alvast van een vuursteunelement te voorzien. Als gevolg van de uitzending van de 2e Batterij met SFOR-3, was mijn batterij verder in het opleidingstraject en beter getraind op niveau 3 (pelotonsniveau).

Op batterijniveau waren inmiddels de diverse opleidingen en medische handelingen opgestart. Daarnaast werd het ISK afgehuurd om eenieder nogmaals met alle persoonlijke en groepswapens te laten schieten. I.v.m. de verplichte sanering draaiden alle tandartsen in de omgeving van Arnhem overuren. Ook op het gebied van de inentingen moest veel werk verzet worden. Op het individuele vlak liepen er nog opleidingen door het reguliere programma heen, zoals een cursus mediatraining, intell-opleidingen voor de batterij-intellcellen, diverse rijopleidingen, enzovoort. 

Na een thuisfrontinformatiedag en een beetje verlof was de batterij op vrijdag 2 april 1999 om 12.00 uur gereed voor inzet. Diezelfde middag kwam bij de afdeling de opdracht binnen om op 10 april het materieel van het voordetachement te beladen voor verscheping naar Macedonië. De opdracht om er met het personeel achteraan te gaan kon niet meer lang uitblijven.


Vertrek & aankomst

Op woensdag 21 april was het zover. Na een afscheidsavond op de De Ruyter van Steveninckkazerne te Oirschot werd het voordetachement de volgende ochtend naar het vliegveld Welschap in Eindhoven gebracht. Onder grote belangstelling van de pers hield de Staatssecretaris zijn afscheidsspeech. Aansluitend werd er ingecheckt en vlogen we met Martinair naar Thessaloniki.

Een dag eerder waren overigens al drie kwartiermakers vertrokken. Zij waren direct naar Skopje gevlogen en zouden via het CONTCO te Petrovec doorreizen naar Tetovo en zich melden bij de 12 Panzerbrigade. Tijdens de voorbereidingen in maart was o.a. de S4 al in Tetovo geweest om afspraken te maken over onze komst. Er werden o.a. ruimte op de kazerne en moderne tenten toegezegd. De brigade leek blij met de komst van haar vuursteunmiddel.

Conform planning landde het voordetachement in het warme Thessaloniki. Eenmaal in de bussen ingeladen, moesten we wachten op de politiebegeleiding. Ondanks het feit dat Griekenland een van de NATO partners is, was de Griekse bevolking allerminst blij met onze komst. In afwachting van de toestemming van de Griekse autoriteiten om te mogen vertrekken naar Macedonië, werden we gelegerd op een kazerne, 'Sindos Barracks', in de legeringgebouwen voor voormalige dienstweigeraars. De staat van de legering was in overeenstemming met deze bestemming.

De volgende dag gebruikten we om het materieel in de haven in colonneformatie op te stellen, zodat we als we daarvoor toestemming kregen, zo snel mogelijk konden vertrekken naar Macedonië. Een dag later dan gepland werd er om 02.00 uur ‘s nachts reveille gehouden en om 06.00 uur vertrok de colonne, bestaande uit ongeveer 200 voertuigen. Een tijdstip waarop de meeste discotheken en bars in Thessaloniki waarschijnlijk sluiten. We hadden dan ook direct al vele beschonken fans langs de route. Met het werpen van stenen, het roepen van onverstaanbare scheldwoorden en het internationale begroetingsgebaar met de middelvinger, lieten ze ons weten wat ze vonden van de aanwezigheid van NAVO-troepen in hun land. Onderweg naar de grens met Macedonië zagen we geregeld leuzen die ons herinnerden aan de anti-NAVO en anti-Amerikahouding van de Grieken. Ondanks een aantal gesneuvelde ruiten verliep de reis verder voorspoedig



Krivolac

Om omstreeks 11.00 uur kwamen we aan in Krivolac, een Macedonisch oefenterrein, waar verschillende nationaliteiten hun troepen en/of materieel klaar hadden staan voor een 'entry' in Kosovo. In Krivolac zagen we voor het eerst onze kwartiermakers, die overigens met teleurstellende berichten uit Tetovo waren gekomen. De bedoeling was om hier het detachement te splitsen. Het Alpha Peloton ging onder leiding van de batterijcommandant en de brigadevuursteunofficier een week oefenen en de rest ging onder leiding van de kwartiermakers door naar Tetovo om het bivak op te bouwen.

Van de in maart beloofde ruimte en tenten was niet veel terechtgekomen. Feitelijk was niets geregeld. Via het NSE in Petrovec werden er boogtenten geregeld en bij de plaatselijke houtzagerij werd er voor een kapitaal aan hout besteld. De Duitsers kregen het uiteindelijk wel voor elkaar dat er een extra stuk grond bij de kazerne werd getrokken, wat werd voorzien van split en een omheining. Wat betreft het sanitair mochten we gebruik maken van hun opgebouwde prefabs. Zo gebeurde het dat met name het logistieke gedeelte van het detachement op zondag 25 april aan het bouwen van ons bivak begon. Bij temperaturen van toen al rond de 30 graden Celsius was dit voor het meeste personeel even wennen.

Inmiddels waren we in Krivolac begonnen met het beoefenen van onze basis gevechtstechnieken. Na toestemming van onze Griekse vrienden om de munitie te vervoeren naar Macedonië, konden we ons voorbereiden op een LFX (Life Firing Exercise). Spoedig werden de vuurmonden beladen met Klasse V en kreeg eenieder voor het eerst zijn rantsoen munitie voor het persoonlijk wapen uitgedeeld. Het half geladen rond lopen, werd vanaf nu een standaard drill. Na afloop van de schietoefening maakten we ons gereed voor het vertrek naar Tetovo. Aan ons kamp was hard gewerkt, zodat we op koninginnedag met het Alpha Peloton en de batterijstaf kunnen bijtrekken. Inmiddels was ook de afdelingscommandant, luitenant-kolonel Van Loon aangekomen voor een kort bezoek aan het voordetachement en belangrijker nog, voor het maken van afspraken met zijn Duitse brigadecommandant.


Tetovo & vluchtelingenkamp Cegrane

In de vroege ochtend van de 30e april werden we in Krivolac gewekt door het Wilhelmus op trompet. Na een lange rit via de hoofdstad Skopje kwam uiteindelijk iedereen in Tetovo aan. De kazerne bleek overvol en de ons toegewezen ruimte was maar net toereikend. Gezien het feit dat er nog weinig zicht was op een spoedig einde van de bombardementen en de kans dus groot was dat we gedurende langere tijd in Tetovo zouden blijven, besloten we een maandplanning en lesroosters te maken. Hierbij werd o.a. het oefenterrein Krivolac aangevraagd.. Uiteindelijk bleek dat we bijna acht weken in Macedonië moesten verblijven voordat we de grens met Kosovo zouden passeren. Van 8 weken lijdzaam afwachten was de batterij zeker niet beter geworden.

Na aankomst in Tetovo op 30 april kwam er direct een verzoek van de brigade of we mee wilden helpen met het bouwen van tenten voor vluchtelingen in Cegrane. Inmiddels was dat kamp uitgegroeid tot ongeveer 5000 vluchtelingen en er kwamen dagelijks busladingen vol vluchtelingen binnen. Het personeel ging hard aan het werk de aanblik van het troosteloze vluchtelingenkamp en maakte een diepe indruk op hen. Ook ons medische personeel werd in Cegrane ingezet bij de behandeling van de vluchtelingen. De meest verschrikkelijke verwondingen werden door hen verzorgd. 

In het kader van onze operationele opdracht moest er nog het nodige werk verricht worden in de stelling op het munitiecomplex Erebino. Daarnaast was er na de schietoefening nog wat achterstallig onderhoud te doen. Een volgende inzet in Cegrane volgde snel toen 12 Panzerbrigade de organisatie van het vluchtelingenkamp overnam en tenten ging bouwen op 24-uurs basis. Ons detachement bestaande uit twee ploegen van dertig personen liet een goede indruk achter bij de brigade. Daarnaast heeft ons personeel geassisteerd bij het tellen en registreren van de eerste 14.000 vluchtelingen.

Op 25 mei bezocht Minister President Kok met zijn echtgenote het vluchtelingenkamp en onze stelling op Erebino. Ook hij reageerde geschokt op de situatie in Cegrane. 


Naar Kosovo

Toen op 9 juni de vrede van Kumanovo een feit werd, raakte alles in een stroomversnelling. Vanuit de brigade kwam de opdracht om de batterij verplaatsingsgereed te maken. Het tentenkamp veranderde daarop in een mierennest. Ingedeeld bij een Duits tankeskadron vertrokken we op zondag 13 juni om 18.00 uur in de richting van de grens met Kosovo. De route liep dwars door de stad Skopje, waar we onder luid applaus, gejuich en gezwaai als een soort helden ontvangen werden. Bij de grens gebeurden er dingen die je zelf alleen ooit op televisie hebt gezien. Grote lampen, draaiende camera’s en flitsende fototoestellen wezen op de belangen van de media.

Onderweg zagen we de eerste, haastig verlaten auto’s, vaak nog volledig bepakt met koffers en andere inderhaast meegenomen bezittingen. Op sommige plaatsen lagen koffers en kledingsstukken op de weg en vroeg je jezelf af wat voor verschrikkelijke taferelen zich hier hadden afgespeeld. Toen we op een zeker moment stil stonden op de route, werd ergens achter mij over de colonne heen geschoten met waarschijnlijk een antitankwapen. Het bleef gelukkig bij één knal. Links in front van mijn Mercedes zag ik een lichaam op de weg liggen. Het hoofd bleek half verdwenen te zijn. Pas weken later kwam ik er achter dat dit het lichaam van een bekende Duitse journalist van de ‘Bild Zeitung’ was, die op eigen gelegenheid de optrekkende brigade was vooruit gegaan. 

Vlak voordat we de stad Suva Reka inreden, begon het langzaam licht te worden en zagen we in een bosrand een aantal VJ-militairen naar ons kijken en het Servisch overwinningsgebaar maken. Het was best vreemd om voor het eerst de ‘vijand’ in het echt te zien. De stad Suva Reka deed spookachtig aan. Toch verschenen achter de ramen van woningen die gespaard waren gebleven tekenen van leven. Alsof de mensen bang waren, zwaaiden ze even snel van achter de gordijnen om daar vervolgens weer net zo snel achter te verdwijnen. Even verderop in de stad zagen we de overblijfselen van een vernield Servisch konvooi en de sporen van hevig gevoerde gevechten in de vorm van de vele kapotte woningen, winkels en publieke gebouwen.


Prizren

De volgende stad was Prizren, waar de brigade inmiddels provisorisch haar hoofdkwartier had ingericht in het voormalige OVSE-hoofdkwartier. In Prizren heerste totale chaos. De laatste delen van het Servische leger (VJ) en de militaire politie (MUP) wilden vertrekken uit de stad, terwijl ze nog tot aan de tanden bewapend waren. De Albanese Kosovaren vierden ruim feest volgens Balkangebruik; dus met veel drank en veel emotie. En er was nog maar een handje vol KFOR-militairen aanwezig om deze tijdbom te ontmantelen. In deze chaos ontstond een confrontatie tussen Servische soldaten en Duitse KFOR-militairen, waarbij uiteindelijk twee Servische soldaten werden gedood.

Volgens planning reden we achter de rest aan een fabriekscomplex op. Het leek op een soort brigadeverzamelgebied met de beschikbare ruimte voor een bataljon. Ook chaos dus. De S3 ging op zoek naar de afdelingscommandant om te informeren naar een eventuele vervolgopdracht.

In alle tumult van de 13e juni moest de brigadecommandant proberen enige orde te scheppen in Prizren. Hij voerde in dat kader gesprekken met vertegenwoordigers van allerlei groeperingen, bijgestaan door luitenant-kolonel Van Loon als adviseur en getuige. De Servische vertegenwoordigers wilden bescherming. Een MUP-commandant eiste dat er onmiddellijk KFOR-troepen naar Orahovac moesten om de Servische bevolking daar te beschermen. In ruil bleek de MUP-commandant bereid om met zijn zwaar bewapende eenheid om de stad Prizren heen terug te trekken. Een verplaatsing dwars door het centrum van Prizren met de zwaar bewapende en vooral gehate MUP zou tot een catastrofe kunnen leiden. Waarschijnlijk met dit beeld in het achterhoofd, hoorde onze afdelingscommandant de brigadecommandant beloven dat hij vandaag nog troepen zou sturen.


Task Force Orahovac

Zo werd ruim eerder dan gepland, de Task Force Orahovac leven in geblazen. Volgens de planning in het MTA (Military Technical Agreement ook wel bekend als de vrede van Kumanovo) zouden de Servische troepen pas twee weken nadat KFOR de Kosovaarse grens had overschreden, zich terugtrekken uit de omgeving van Orahovac. De afdeling was nu pas op een sterkte van minder dan 25% en kwam van het ene op het andere moment van haar pure vuursteunverantwoordelijkheid in een gebiedsverantwoordelijke rol terecht. Zo gebeurde het dat terwijl het voordetachement nog onderweg was naar Prizren, de afdelingscommandant de stoute schoenen aantrok en met twee Leopards, twee Marders, een Fuchs, een Luchs en een YPR van een TACP-groep voorwaarts ging naar Orahovac. Begeleid door een luitenant ter zee van de Duitse marine, die voor de bombardementen gestationeerd was geweest als OVSE-waarnemer in Orahovac, ging deze 'recce party' naar de beoogde locatie van de compound op de vliegstrip van Orahovac. De vliegstrip bleek bezet te zijn door Servische troepen, maar de commandant ter plaatse werkte zeer goed mee en zou de volgende dag zonder slag of stoot de locatie verlaten.

Na een verplaatsing van 14 uur vanuit Macedonië kwam het eerste deel van de eenheid vermoeid op de vliegstrip aan. Over die verplaatsing schreef een van onze mensen het volgende in zijn dagboek: 'De weg van Prizren naar Orahovac is de meest smerige stinkende weg die ik ooit gereden heb. Overal kadavers in staat van ontbinding. Onderweg wordt het duidelijk dat er in deze dorpen vreselijk huisgehouden is”

Terwijl het personeel wat probeerde uit te rusten op de vliegstrip, ging onze voormalige OVSE-waarnemer aan de slag om met de belangrijkste vertegenwoordigers uit de omgeving ontmoetingen te regelen zodat de afdelingscommandant zo snel mogelijk inzicht kon krijgen in de plaatselijke situatie. Dezelfde avond vond al een ontmoeting plaats met vertegenwoordigers van het UCK, waarin zij beloofden de terugtrekking van het VJ en de MUP niet te verhinderen. In ruil daarvoor zou de afdelingscommandant de volgende dag meegaan om naar een massagraf in Velika Krusa te kijken. Het UCK hechtte hier veel waarde aan omdat men bang was dat de bewijzen van de moordpartijen verloren zouden gaan.

Op de eerste avond van de onderhandelingen stuurde de afdelingscommandant mij naar Prizren om voor ‘Nova’ de eerste reactie op onze bevindingen te geven. De interesse van de interviewer ging met name uit naar de geruchten omtrent de vele massagraven. Aangezien we pas de dag daarop voor het eerst naar zo’n 'crime site' gingen kijken, kon en mocht ik hier niets over zeggen. De volgende dag zou blijken in wat voor ellende we terecht waren gekomen.


Aan het werk

Aangezien het nog tot 22 juni zou duren voordat de afdeling compleet zou zijn, moesten met het aanwezige deel van de Duitse compagnie en het Alpha Peloton van de 1e Batterij, troepen ontplooid worden voor de bescherming van de Servische minderheid. De werkdruk liep door het gebrek aan personeel zo nu en dan op tot werkdagen van 17 uur.

We begonnen met het in kaart brengen van de dorpen en het leggen van contacten door patrouillegang. In die eerste paar dagen bereikte ons het bericht dat iemand aan de Serviërs bussen voor evacuatie naar Servië had beloofd. We kregen midden in de nacht de opdracht om met het hele peloton naar Velica Hoca te vertrekken en te voorkomen dat de bevolking werd geëvacueerd. Bovendien wilden we niet meewerken aan een vermeende etnische zuivering, met alle politieke gevolgen die daaruit konden voortvloeien. In het dorp waren inderdaad de nodige mensen wakker en waren vele auto’s bepakt voor een eventuele evacuatie. We moesten er tijdens de patrouillegang op letten of er vanuit de huizen een brandstoflucht kwam, omdat het vermoeden bestond dat de Serviërs na vertrek hun eigen huizen in brand wilden steken. De voornaamste reden voor een overhaast vertrek was de enorme angst voor represailles door de Albanezen of het UCK. Aangezien de komst van de bussen een loze belofte bleek en men niet tot onmiddellijke evacuatie over ging, hebben we in het overleg aangeboden om het dorp permanent te bewaken. De gevreesde wraakacties van het UCK bleven gelukkig uit.

Op de 15e juni vertrokken de VJ- en MUP-eenheden zonder problemen in noordelijke richting. Het UCK liet zich niet zien en de afdelingscommandant ging conform afspraak mee naar Velika Krusa. Wat hij daar aantrof tartte elke beschrijving. Voor de batterijen werden de massagraven, ook wel ICTY-sites genoemd, een terugkerend fenomeen. De drie batterijen kregen namelijk per toerbeurt de opdracht om de sites op 24-uurs basis te bewaken. Overdag tegen journalisten, familieleden en ramptoeristen. En ‘s nachts tegen de honden die de sporen van de sites letterlijk opvraten. 

De aankomst van mijn Bravo Peloton was voor mij persoonlijk een bijzonder moment. Het gaf me een goed gevoel ze weer bij de club te hebben. Het was ook dat peloton dat op de vooravond van 27 juni met twee vuurmonden in stelling kwam. In het kader van een actie van de 2 Batterij om brandstichters in Orahovac op te pakken, zouden wij de stad verlichten met 155 mm lichtgranaten. Even voor half één kwam het vuurbevel binnen. Korte tijd later ontbrandden 2 miljoen kaarsen boven de stad Orahovac. Dat waar mijn mensen onder vredesomstandigheden voor hadden getraind, was onder operationele omstandigheden veilig en nauwkeurig uitgevoerd.

Een korte opsomming van onze activiteiten:

Het uitvoeren van vuursteunopdrachten voor de brigade. 

Het beschermen van de lokale bevolking (zowel Albanees als Servisch). 

Het verzamelen van informatie in het kader van intel-activiteiten. 

Het doorzoeken van huizen op wapens en munitie. 

Showing the force. 

Het uitvoeren van (sociale) patrouilles. 

Het opbouwen van de base Sirokko en het overnemen van de Area of Responsability (AOR) Suva Reka. 


Naar Suva Reka & het vertrek

Toen de klucht met de Russen zich aandiende en er besloten werd dat de afdeling zich moest voorbereiden op een verplaatsing naar Suva Reka, kreeg de batterij de opdracht om de toegewezen locatie alvast te bewaken en in te richten met behulp van locale werkkrachten. De batterijstaf en het Alpha Peloton werden met deze opdracht belast, waarbij het peloton direct ter plaatse werd gelegerd in verband met de voortdurende bewaking. Weer een nieuwe en uitdagende opdracht waarbij veel geïmproviseerd en hard gewerkt moest worden. 

Vanaf 4 november, 11 dagen voor de rotatie van het voordetachement, kwam ook het Bravo Peloton hiernaartoe. Aangezien de afdeling de gebiedsverantwoordelijkheid overnam van de Oostenrijkers kon Bravo direct in de stad beginnen met de bekende intel-werkzaamheden. Van onze voorgangers was er weinig tot geen informatie beschikbaar, zodat we de laatste 4 weken hebben gebruikt om voor het personeel van 41 Afdeling Veldartillerie een basis neer te zetten, waar zij naadloos mee verder konden gaan.

Op 6 december 1999 kwam er een eind aan het zigeunerbestaan van de 1e Batterij in Kosovo. Iemand van het Bravo Peloton schreef daar het volgende over: 'Zo heb ik nu nog plannen mijn leven te verruilen voor een rode zakdoek, een woonwagen en een gitaar. U wilt niet weten hoe vaak het Bravo Peloton heeft moeten verhuizen gedurende de uitzending'. Toch maakte de afwisseling, de hectiek, het onvoorspelbare en de waardering het tot een onuitwisbaar avontuur.